Au commencement
les animaux furent imparfaits
longs de queue,
et tristes de tête.
Peu à peu ils évoluèrent
se firent paysage
s’attribuèrent mille choses,
grains de beauté, grâce, vol…
Le chat
seul le chat
quand il apparut
était complet, orgueilleux.
parfaitement fini dès la naissance
marchant seul
et sachant ce qu’il voulait.
L’homme se rêve poisson ou oiseau
le serpent voudrait avoir des ailes
le chien est un lion sans orientation
l’ingénieur désire être poète
la mouche étudie pour devenir hirondelle
le poète médite comment imiter la mouche
mais le chat
lui
ne veut qu’être chat
tout chat est chat
de la moustache à la queue
du frémissement à la souris vivante
du fond de la nuit à ses yeux d’or.
Il n’y a pas d’unité
comme lui ni lune ni fleur dans sa texture:
il est une chose en soi
comme le soleil ou la topaze
et la ligne élastique de son contour
ferme et subtil
est comme la ligne de proue d’un navire.
Ses yeux jaunes
laissent une fente
où jeter la monnaie de la nuit.
Ô petit empereur
sans univers
conquistador sans patrie
minuscule tigre de salon,
nuptial sultan du ciel
des tuiles érotiques
tu réclames le vent de l’amour
dans l’intempérie
quand tu passes
tu poses quatre pieds délicats
sur le sol
reniflant
te méfiant de tout ce qui est terrestre
car tout est immonde
pour le pied immaculé du chat.
Oh fauve altier de la maison,
arrogant vestige de la nuit
paresseux, gymnaste, étranger
chat
profondissime chat
police secrète de la maison
insigne d’un velours disparu
évidemment
il n’y a aucune énigme
en toi:
peut-être que tu n’es pas mystérieux du tout
qu’on te connaît bien
et que tu appartiens à la caste la moins mystérieuse peut-être qu’on se croit
maîtres, propriétaires,
oncles de chats,
compagnons, collègues
disciples ou ami
de son chat.
Moi non.
Je ne souscris pas.
Je ne connais pas le chat.
J’ai sais tout de la vie et de son archipel
la mer et la ville incalculable
la botanique
la luxure des gynécées
le plus et le moins des mathématiques
le monde englouti des volcans
l’écorce irréelle du crocodile
la bonté ignorée du pompier
l’atavisme bleu du sacerdoce
mais je ne peux déchiffrer un chat.
Ma raison glisse sur son indifférence
ses yeux sont en chiffres d’or.
Pablo Neruda dans Navegaciones y regresos. Buenos Aires, Éditoriale Losada, 1959.
Ode aan de kat
Ze oogden onvoltooid,
de dieren,
lange staarten, bedroefde koppen.
Allengs bijgekomen,
en in het landschap opgegaan,
namen ze hun plaats in, richtten
zich met gratie op, ze namen vlucht.
De kat,
de kat alleen oogt af
en trots:
bij de geboorte al compleet,
vervolgt zijn weg,
weet wat hij wil.
De mens wil vis en vogel zijn,
de slang verlangt naar vleugels,
de hond is een verwarde leeuw,
de ingenieur wil dichter zijn,
de vlieg zou zwaluw willen worden, en
de dichter imiteert de vlieg,
maar de kat
wil slechts een kat zijn,
en elke kat is kat van
top tot tenen, als een rat,
zijn adem ingehouden, zich
‘s nachts via zijn gouden ogen
waargenomen weet.
Er is geen wezen zoals hij,
geen maan of bloem heeft zo’n
presentie;
de kat is alleen kat zoals
de zon of de topaas niets anders zijn dan dat
de veerkrachtige lijn van zijn contouren
robuust en rank als de zeeg
van een schip.
Zijn gele ogen, die een enkel
goudstuk laten vallen in de gleuven
van de nacht.
Oh kleine keizer zonder rijk,
jij triomfator zonder vaderland,
ingetoomde tijger van de woonkamer, sultan,
bruidegom van het plafond
van broeierige tegels,
er waait een wind van liefde door de lucht,
waar jij bezit van neemt, als je voorbij
gaat en op de vloer vier frèle voetjes plaatst,
ruikend, op je hoede voor al wat buitenaards
is, omdat alles weerzin wekt vergeleken
met de smetteloze voetprint
van de kat.
Oh onafhankelijk huisbeest,
hooghartig lichtspoor in de nacht,
lui, elastisch en exotisch,
volkomen kat, geheim agent
van slaapvertrekken, je eretekenen
vergaan fluweel.
In je doen en laten is geen enkel teken
van mysterie te bespeuren.
Wellicht ben je een open boek.
De hele wereld kent je, je hoort bij diens
voorspelbare bewoner.
Geloven we het wellicht,
geloven we allemaal dat wij
van onze kat de eigenaar
en houder zijn,
zijn suikeroompje, maatje,
afgevaardigde,
discipel dan wel
boezemvriend.
Ik niet. Mij krijg je er niet onder.
Katten zijn mij vreemd.
De wereld heeft voor mij geen geheimen.
Ik ken het leven en zijn opgeworpen archipels,
de zee en de immense stad, ik weet van planten en
de stampers van de bloem, met al zijn
variaties, de plussen en de minnen van
de rekenkunde, de explosieve trechters die de aarde
bergt, de onwerkelijke huid van krokodillen,
de zachtaardigheid van brandweermannen
gedachteloos voorbijgegaan,
het droef herrijzen van de priester,
maar de kat, die ken ik niet.
Mijn verstand heeft zich verstapt onder
zijn onverschilligheid,
zijn ogen hebben gouden waarden.
Pablo Neruda – Oda al Gato